De IMTS 2026 in Chicago telt dit jaar volgens de organisatie ruim 1.800 exposanten; meer dan twee jaar geleden. Daarmee groeit de beurs tegen de internationale trend in beurzenland in. De IMTS steekt met dit aantal de EMO Hannover naar de kroon: daar bleef de teller staan op ongeveer 1.600. Opvallend is vooral het geringe aantal Chinese exposanten. De VS weten China met de heffingen politiek aardig goed buiten de deur te houden. Of is de IMTS toch meer een regionale beurs?
Nu is een een-op-eenvergelijking tussen beide beurzen lastig, omdat de organisatie van de IMTS de Amerikaanse dochterbedrijven van Chinese fabrikanten onder de deelnemers uit de VS schaart. Zoek je in de exposantenindex op het herkomstland China, dan levert dat 71 treffers op. Zelfs als onder de 1.333 exposanten met als herkomstland de VS nog een keer zo’n 70 exposanten uit China zitten (waarschijnlijk minder), dan steekt het totale aantal schril af tegen het beeld van de EMO vorig jaar. Daar zagen de bezoekers een kleine 350 exposanten uit China, oftewel één op de vijf en meer dan het dubbele van de op een na grootste buitenlandse groep, Italië (147 exposanten). Twee jaar geleden deden nog 92 Chinese fabrikanten mee via de officiële Chinese handelsdelegatie en ruim 100 via Amerikaanse dochterbedrijven of agenten.
Amerikaanse heffingen houden Chinese bouwers buiten de deur

Waarom laten ze Chicago links liggen?
Er zijn twee redenen aan te voeren waarom de Chinese machinebouwers wel voor de EMO kiezen en minder snel voor de IMTS. De belangrijkste reden heeft alles te maken met de heffingen die de regering-Trump vandaag de dag oplegt. Primair gaat het om Section 301-tarieven (25 tot 100%) en recent ook om Section 232 (tot 50% op de douanewaarde voor bepaalde bewerkingscentra), de complexe importregels van de VS en de politieke risico’s en visumbeperkingen. Vooral de heffingen maken de Amerikaanse markt minder aantrekkelijk voor de Chinese fabrikanten. Afhankelijk van de HTS-code bedraagt de totale Amerikaanse invoerdruk 27,5 tot 104,5%. Gemiddeld lopen de heffingen al gauw op tot 50 à 80%. Taiwanese, Japanse en Duitse fabrikanten worden veel lagere tot soms zelfs geen heffingen opgelegd. De Section 301-heffingen zijn overigens al in 2018 ingevoerd en door de vorige Democratische president in stand gehouden.
Wereldbeurs versus regionale beurs
De tweede reden is dat de IMTS, hoe groot ook, een regionale beurs is: gericht op de Noord-Amerikaanse markt. De EMO Hannover wordt door meer partijen gezien als de wereldbeurs voor de metaalbewerking, met een groter aandeel internationale bezoekers. Voor Chinese fabrikanten die zich op nieuwe exportlanden richten, is dat interessanter.
De concurrentiestrijd gaat zich afspelen buiten de EU-landen

Europa aantrekkelijker
Dat neemt niet weg dat Europa sinds 2018 aantrekkelijker is geworden voor de Chinese fabrikanten van metaalbewerkingsmachines. Vandaar het enorme aantal exposanten vorig jaar in Hannover. Deze trend is overigens op alle Europese machinebeurzen goed te zien. Hannover Messe was afgelopen voorjaar geen uitzondering. Formnext zal over twee maanden waarschijnlijk een soortgelijk beeld tonen. In de EU bedragen de invoerrechten voor werktuigmachines uit China tussen de 0 en 4,2%. Op een CNC-machine van 250.000 euro betekent dit dus in de EU ruim 10 mille aan invoerrechten; in de VS tussen de 60.000 en 250.000. Niet-EU-land Zwitserland heeft recent overigens een vrijhandelsverdrag met China gesloten.
Meteen nadat president Trump vorig jaar de nieuwe heffingen aankondigde, daalde de Chinese export met 20 tot 30%. Daarmee werd de trend van eerdere jaren versterkt. De Chinese werktuigmachine-industrie richt de blik nu meer op Europa en andere exportmarkten. De Duitse VDW concludeert in het recente jaarverslag dat de Chinese sector een aandeel in de wereldwijde export heeft van 21-23%, tegenover de Duitse machinebouwers nog rond de 17%.
Export naar de opkomende markten
In Europa zijn we sterk geneigd om vooral vanuit onze eigen omgeving te denken. China exporteert dan wel méér machines naar de EU (alhoewel er in Q1 2026 1,2% minder naar Europa kwam), maar de Chinese exportgroei is pas echt spectaculair als je naar de ASEAN-landen kijkt, Brazilië, het Midden-Oosten en Afrika. De export naar de ASEAN-landen is dit jaar met 23,6% gestegen.
Wie trekt aan het langste eind?
Gevoed door de afbouw van industriële capaciteit in Duitsland klinkt in de EU de roep om heffingen steeds luider. Afgelopen weekend pleitte FME-voorzitter Theo Henrar in een artikel in De Telegraaf voor importheffingen op Chinese goederen die door subsidie kunstmatig goedkoop zijn, zoals hij het uitdrukt. Een lapmiddel voor de korte termijn, zoals ook de Amerikaanse heffingen dit zijn.
De vraag is wie aan het langste eind trekt: de VS, de EU of China? De VS houden met deze heffingen innovaties buiten de deur; innovaties die het land niet zelf kan realiseren doordat de werktuigmachine-industrie ontbreekt. Wil reshoring structureel voet aan de grond krijgen en niet bij beloftes blijven, dan komt men niet om de import van machines heen. Voor de fabrikanten in EU-landen biedt dit op korte termijn een kans.
Op de lange termijn zullen de economieën in wat tegenwoordig de Global South-landen heet (de BRICS-landen met Saoedi-Arabië, de Verenigde Emiraten, Iran, Egypte en Ethiopië) sneller groeien dan de westerse economieën. Daar gaat de echte concurrentie tussen de Europese en Chinese machinebouw plaatsvinden. Wil Europa hier de concurrentie winnen, dan moeten de voorwaarden om in Europa te produceren drastisch verbeteren. Dat is de echte oorzaak.
De nieuwe wereld
De snelle urbanisatie en industrialisatie in landen als India, Indonesië en diverse Afrikaanse naties creëren een ongekende vraag naar productieapparatuur. Deze opkomende markten zijn niet langer alleen consumenten, maar ontwikkelen zich ook tot belangrijke producenten met hun eigen industriële bases. Dit vereist aanzienlijke investeringen in geavanceerde machines, variërend van basiswerktuigen tot complexe geautomatiseerde systemen.
Europese machinebouwers, geroemd om hun precisie, technologische superioriteit en duurzaamheid, staan voor de uitdaging om hun hoogwaardige oplossingen aan te passen aan de specifieke kostenoverwegingen en lokale operationele omstandigheden van deze markten. Chinese concurrenten hebben daarentegen al een sterke positie verworven, vaak door competitieve prijzen, flexibele aanpassingsmogelijkheden en soms door overheidsgesteunde financieringspakketten.
Niet voor niets merkte VDW-voorzitter Markus Heering onlangs nog op dat de toekomst van de Duitse machinebouwers vooral afhangt van de manier waarop ze zich weten aan te passen aan de geopolitieke en structurele veranderingen. Daarbij staan ze 1-0 achter doordat ze moeten investeren in nieuwe markten terwijl de resultaten onder druk staan.
De lakmoesproef zal de EMO Hannover 2029 worden.






